Poirterslaan 26
5611 LB Eindhoven
Postbus 1560
5602 BN Eindhoven
T: 040 - 2155 240
F: 040 - 2155 249

Dossiers arbeidsrechtelijke kwesties

Slapende dienstverbanden en het recht op een transitievergoeding

Sinds de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid (Wwz) op 1 juli 2015 speelt de problematiek van de ‘slapende dienstverbanden’. Dat zijn dienstverbanden die na (in beginsel) twee jaar arbeidsongeschiktheid van de werknemer – wanneer het opzegverbod tijdens ziekte en de verplichting tot loondoorbetaling niet langer gelden – niet zijn beëindigd op de b-grond, maar in stand worden gelaten. De werknemer blijft dus in dienst, maar krijgt geen salaris meer. De problematiek van de ‘slapende dienstverbanden’ houdt verband met de keuze van de wetgever om – in afwijking van het vóór 1 juli 2015 geldende ontslagrecht – ook bij een ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid een recht op transitievergoeding toe te kennen. Deze vergoeding komt bovenop het gedurende twee jaar doorbetaalde loon en de kosten die de werkgever heeft moeten maken voor re-integratie van de zieke werknemer. Sommige werkgevers ervaren dit als problematisch en onrechtvaardig, vanwege de financiële belasting die dit voor hen meebrengt. Sommige werkgevers kiezen er daarom voor om het dienstverband na twee jaar arbeidsongeschiktheid niet te beëindigen, maar ‘slapend’ te houden.

Naar schatting zijn er in Nederland inmiddels duizenden langdurig arbeidsongeschikte werknemers met zo’n ‘slapend dienstverband’. Hoewel de toenmalige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Asscher al kort na de inwerkingtreding van de Wwz te kennen gaf dat het onbetaald in dienst houden van een werknemer met als enige reden het niet willen betalen van een transitievergoeding, ‘niet getuigt van fatsoenlijk werkgeverschap’, liepen pogingen van werknemers om via de rechter alsnog aanspraak te maken op de transitievergoeding, op niets uit.

Uiteindelijk is in juli 2018 wetgeving tot stand gebracht, die een einde zou moeten maken aan de praktijk van de ‘slapende dienstverbanden’, namelijk de Wet compensatie transitievergoeding. Deze wet voorziet in een compensatieregeling voor werkgevers die na beëindiging van het dienstverband wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, waaronder begrepen een beëindiging met wederzijds goedvinden, een transitievergoeding hebben betaald. De compensatie voor de betaalde transitievergoeding zal door het UWV worden verstrekt vanuit het Algemeen werkloosheidsfonds (Awf), waar een verhoging van de premie tegenover zal staan. De Wet compensatie transitievergoeding is op 11 juli 2018 gepubliceerd in het Staatsblad en zal op 1 april 2020 inwerkingtreden.

Maar ook na de bekendmaking van de compensatieregeling blijken werkgevers niet bereid om de ‘slapende dienstverbanden’ te beëindigen. Rechtbanken hebben verschillend over deze problematiek geoordeeld. Uiteindelijk heeft de rechtbank Limburg prejudiciële vragen hierover gesteld aan de Hoge Raad.

Rechtbank Limburg 10 april 2019(ECLI:NL:RBLIM:2019:3331)

De rechtbank Limburg heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld over het beëindigen van slapende dienstverbanden onder toekenning van de transitievergoeding. De gestelde vragen gaan primair uit van de premisse dat een werkgever een redelijk voorstel van een werknemer tot beëindiging van het slapende dienstverband dient te accepteren op grond van  het goed werkgeverschap. De insteek is als het ware een omgekeerde Stoof/Mammoet situatie (ECLI:NL:HR:2008:BD1847). Dit als maatstaf voor goed werkgeverschap. Subsidiair vraagt de rechtbank of de werkgever onder omstandigheden, gelet op goed werkgeverschap, gehouden is tot betaling van een transitievergoeding?

Conclusie (lees: advies) Advocaat-Generaal Hoge Raad 18 september 2019 (ECLI:NL:PHR:2019:899)

De A-G wijst de primaire vooronderstelling van de rechtbank af, maar beantwoordt de subsidiaire vraagstelling bevestigend:

“20.5

Als uitgangspunt heeft te gelden dat een werkgever op grond van de norm van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) gehouden is om in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding, indien is voldaan aan de vereisten in art. 7:669 lid 3, aanhef en onder b, BW. 

20.6

Op dit uitgangspunt dient een uitzondering te worden gemaakt wanneer, op grond van door de werkgever te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden, moet worden geoordeeld dat de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Hierbij kan aan de volgende omstandigheden kunnen worden gedacht:

(i) het bestaan van reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer, waardoor de werkgever een belang heeft bij het in dienst houden van de werknemer;

(ii) voor de periode tot aan de inwerkingtreding van de Wet compensatie transitievergoeding: financiële problemen van de werkgever door het moeten voorfinancieren van de transitievergoeding;

(iii) het niet (geheel of gedeeltelijk) gecompenseerd zullen krijgen van de transitievergoeding. Hierbij zou een onderscheid kunnen worden gemaakt tussen omstandigheden (die debet zijn aan het niet of niet volledig gecompenseerd krijgen van de transitievergoeding) die in de risicosfeer van de werkgever liggen, en omstandigheden die in de risicosfeer van de werknemer liggen; 

(iv) mogelijke andere belangen van de werkgever bij het in dienst houden van de werknemer, anders dan de enkele wens om de transitievergoeding niet te hoeven betalen.”

Wat betekent de conclusie van de A-G voor u?

De conclusie van de A-G is nog geen rechterlijke uitspraak, maar een advies aan de Hoge Raad. Meestal volgt de Hoge Raad het advies van de A-G op. Naar verwachting zal dit in dit geval niet anders zijn. De uitspraak van de Hoge Raad wordt binnen enkele weken tot enkele maanden verwacht. Met de conclusie van de A-G weet u in ieder geval wat u verwachten kunt.

Hoewel de A-G in haar overweging onder 20.5 rept over “transitievergoeding”, is niet duidelijk of hiermee de wettelijke transitievergoeding ex artikel 7:673 lid 2 BW bedoeld wordt, of het bedrag dat de werkgever op grond van de Wet compensatie transitievergoeding kan verhalen op UWV. Wellicht kan de Hoge Raad hierin een duidelijk standpunt innemen. Binnenkort hopen wij u hierover nader te informeren.